Het leven en de werken

jan-dejong.nl

THUIS  |  ESSAYS  |  500 WOORDEN  |  COLUMNS  |  RECENSIES LTM  | JAN DE JONG OP CUBRA.NL  |  FOTO'S 
 

 

 


De jaarringen van de poëzie  |

 

Onlangs had ik in De Azijnfabriek in Den Bosch een goed gesprek met Esther Jansma, dichteres en archeologe. En in 1999 winnaar van de VSB-poëzieprijs voor haar bundel Hier is de tijd. Aardige vrouw, gemakkelijk spreekster, die het publiek van een mannetje (maar hoofdzakelijk vrouwtje) of zeventig vaardig bediende: onze conversatie verliep vlot en ze kon prachtig gedichten voorlezen.

Niks mis mee dus.

Toch is haar dichterschap niet zonder risico. Haar thematiek beweegt zich zo dicht langs het persoonlijke dat ik in eerste instantie dacht: ‘Ai’ (of woorden van gelijke strekking).

 

Toen in 1990 de debuutbundel van Marieke Jonkman, Dochters van het donker, verscheen, wemelde het in die gedichten zo zeer van mishandelde, verkrachte en murwe vrouwen, dat een recensent schreef: ‘niet lezen, maar direct hulp bieden!’ Gelukkig bleek Marieke achteraf een man, en de beschreven ellende ontsproten aan zijn zwarte fantasie. En dat maakte weer een hoop goed. Want als je in je poëzie vooral je eigen ellende van je probeert af te schrijven, dan kan dat natuurlijk wel een beetje lucht geven, maar het levert zelden iets op waar je een ander een plezier mee doet. Een vriend van mij, die uitgever is, kan dat beamen. Wat hij zo in de loop van een week aan dood, verdriet en levensbedreigende ziekten op zijn bureau krijgt, tart elke beschrijving. Net als het literaire niveau van die schrijfsels, trouwens.

Dus als u er toevallig net aan dacht om uw gebroken been of hart poëtisch te sublimeren, neem dan een goede raad van mij aan: sprenkel er wat gedistilleerd overheen en laat ze rusten, die ambities.

Want het gaat geheid mis.

Hoewel. Esther Jansma wijdt heel haar tweede bundel, Bloem, steen (1990), en een substantieel deel van haar andere werk aan de dood van een kind. Van haar kind. En natuurlijk heeft dat een aantal sentimentele gedichten opgeleverd, zo meldde ze. Maar die zijn ‘uiteraard’ niet opgenomen in Bloem, steen. En ja, natuurlijk heeft ze ernstig getwijfeld of ze überhaupt gedichten over het dode kind moest publiceren. Maar uiteindelijk vond ze wel dat het kon. En daar had ze gelijk in.

 

Het lijkt of de steen stil ligt

maar hij valt tegen de grond

waarin zij ligt en verder valt,

steeds dunner uitgespreid; dood

is de aarde tot de kern omhelzen.

 

En wij die hier nu staan

zijn langer dan ooit – hoe we ook

naar beneden kijken, zinken in ons hoofd:

doorleven is omhoog geslingerd worden,

omgekeerd vallen, gewichtloos.

 

Dit is poëzie die het persoonlijke ontstijgt. In Bloem, steen spreekt derhalve de kunstenaar. Niet de moeder. En zo hoort dat ook.

In 2000 verscheen haar jongste bundel, die Dakruiters heet, waarin opgenomen Duizend, het tien bladzijden lange gedicht dat De Arbeiderspers als relatiegeschenk rondstuurde bij de millenniumwisseling. Het is een historisch overzicht van tien eeuwen westerse geschiedenis, waarin mensen te klein blijken, om het geweld van natuur en historie het hoofd te bieden. Duizend is te mooi om te verzwijgen, te lang om er hier dieper op in te gaan. Daarom dit:

 

Bouwkundig onderzoek

 

De schemering die ik verwachtte onder

de houten herhaling, het omgekeerde wrak

(kiel omhoog) dat het dak is, is deze niet.

Dit is donker van eeuwen geleden, eeuwen

 

van in- en uitademend vee, kreunend verliggen

in de nacht – waaraan wie toen dacht, wie weet het?

We meten de spanten, noteren de telmerken

boren in dakruiters en schoorbalken, we werken

 

tot het laat is, schaduwen zijn we

die willen, nee, hopen dat ze werkelijker zijn

dan wat hier voor de hand ligt: dit hout

en iedereen die daarmee bouwde en hier niet is.

 

Jansma’s ‘echte’ werk beweegt zich op het terrein der dendrochronologie. Schrik niet, ze moest het mij ook uitleggen. Het heeft te maken met het in kaart brengen van specifieke eigenschappen van jaarringen (in bomen, u weet wel), zodat je daarna vrij nauwkeurig de ouderdom van houten voorwerpen kunt bepalen. Dankzij Jansma’s promotieonderzoek kunnen ze nu in Nederland tot drieduizend jaar terug zo ongeveer op het jaar precies zeggen hoe oud die zolder, die schoorbalk, die dakruiter is. Het is, denk ik, de meest exacte tak van de archeologie. Turen en tellen, dat is het zo’n beetje.

En als je daarover in gedichten niet de dendrochronoloog, maar de kunstenaar kunt laten vertellen, dan mag je dat van mij grootse poëzie noemen. Ikzelf vind in dit gedicht een theelepeltje Achterberg terug. Op andere plaatsen klinken Bloem, Kopland, De Coninck of Tellegen door.

En toch is het steeds weer Jansma die het laatste woord heeft.

(En da’s mooi.)