Het leven en de werken

jan-dejong.nl

THUIS  |  ESSAYS  |  500 WOORDEN  |  COLUMNS  |  RECENSIES LTM  | JAN DE JONG OP CUBRA.NL  |  FOTO'S 
 

 

 

 

 


Morrelen aan je eigen mythe |

 

‘Zoals de mot / in de mythe zit’ schreef Hugo Claus in Het teken van de hamster, een citaat dat later zo handig gebruikt is door Paul Claes, toen hij een geschikte titel zocht voor zijn proefschrift over allerlei mythologische verwijzingen in Claus’ werk[1]. En die mot zat er, schreef Claes, niet voor niks in: Hugo Claus was niet alleen een grootmeester in zijn verwijzingen naar de verhalen uit de oudheid, hij bracht ze ook behoorlijk gehavend, gemuteerd, onteerd in zijn eigen werk terug.

En dat is natuurlijk prima. Een dichter die de ouden eert, kan al bijgezet worden in enig mausoleum nog voordat hij iets geschreven heeft. Daarenboven ontmythologiseert Claus niet alleen de mythen. Nee, ook de westerse geschiedenis en het maatschappelijk leven in Vlaanderen moeten het met grote regelmaat ontgelden.

En terecht.

Ik bedoel, als er iets valt bloot te leggen, dan kun je daar als schrijver eigenlijk niet aan voorbij. Wat dat betreft zijn Vlaanderen en de Wereld voor Claus één grote ready-made.

Het aardige is, dat de schrijver hierbij zichzelf allerminst spaart. Zeker sinds Het verdriet van België toont Claus zichzelf en zijn naasten met enige regelmaat van hun zwakste kant. Het meest doortastend deed hij dat in Een zachte vernieling, waarin van de grote, experimentele Vijftigersmythe niets overblijft dan een slecht bezochte lezing in het wijkgebouw en twee vitrinekasten met herinneringen.

Het mooist zette hij de zaag aan zijn eigen stoelpoten in het gedicht ‘Dichter’ uit De sporen.

 

Herfst. Hoor. Geknetter. Hoor je dat zwaar geratel?

Het nadert in onze kleren, in onze haren.

Luizen van geluid. Wat is dit melaats geprevel?

Kind, het zijn de dichters buiten die klappertanden.

 

Zo, dat begint al hoopvol. Dichters die melaats prevelen. Luizen van geluid. Wat zijn dit voor vreemde poëten? Dat wordt al snel duidelijk. De dichters zijn stervende. En zoals, naar verluidt, iedereen nog wel een wens heeft op zijn sterfbed, willen deze woordkunstenaars er ook nog wel eentje formuleren:

 

Hoor hoe koortsig zij hun naderend vergaan verklaren

Want hun laatste gereutel moet doorzichtig zijn,

Hun weduwen van lezers doen snikken.

 

Deze arme dichters willen nou eindelijk eens iets schrijven wat doorzichtig is. Wat iedereen zo maar kan begrijpen. Maar waren zij dan zo onverstaanbaar?

 

‘O, ons ego was te duister!’ klagen zij.

‘Dat vroeg de tijd, polyinterpretabel als wij!’

 

Daar komt de aap uit de mouw. Zij hebben een dichtersleven lang hun best gedaan, om onbegrijpelijk (‘duister’, ‘polyinterpretabel’) te schrijven en plukken daar nu de wrange vruchten van: niemand begrijpt ze. En omdat wij weten wie Hugo Claus is, en omdat wij ooit Een zachte vernieling met zo veel plezier gelezen hebben, laten die dichters zich al gauw identificeren als de experimentelen uit de jaren vijftig.

(En daar weet ik alles van: geen groter leed voor, zelfs eerstegraads, studenten Nederlands, dan ergens in de opleiding ineens oog in oog te staan met gedichten van Claus, Kouwenaar of Lucebert. En daar dan nog iets zinnigs over moeten zeggen ook. Nee, het leven is niet altijd een pretje.)

En intussen mokken Claus’ stervende dichters voort, zoals het stervende dichters betaamt:

 

Maar te laat, te doof, worden de dichters gewaar

Dat wat duister en bot was in hun verzen

Niet lichter wordt door sleet, door de duur,

Maar dat het blijft bederven.

 

Als zij werkelijk al gehoopt hebben, dat hun nieuwe taal ooit voor iedereen verstaanbaar zou zijn – ‘melkboerentaal’ zou worden – dan moet de tijd hen nu toch ernstig teleurstellen. Zo werkt het niet, heren. Voor wie hermetische gedichten schrijft geldt: eens dicht, altijd dichter.

Rest de vraag hoe het nou eigenlijk komt, dat die verzen er in de loop der jaren niet begrijpelijker op geworden zijn. Er is tenslotte door de cultuurgeschiedenis heen nogal wat afgeëxperimenteerd door deze en gene. En steeds werd, wat eens onbegrijpelijke atoomproeven waren, op den duur gemeengoed. De poëzie van Nijhoff, de romans van Vestdijk, de schilderijen van Van Gogh en Mondriaan zijn allemaal ooit als gevaarlijke nieuwlichterij begroet. En ze zijn nu algemeen geaccepteerd en redelijk goed te duiden. Maar waarom gaat dat dan niet op voor de Vijftigers? ‘Dichter’ licht een tipje van de sluier op, als een van de stervende dichters de ‘ik’ van repliek dient:

 

‘Maar apropos, jij zelf? Ja, jij! Vereerde jij ook niet

De splitsing, de gisting eerder dan het monument?

 

De werken van Nijhoff, Vestdijk, Mondriaan en Van Gogh zijn monumenten. De Vijftigersgedichten zijn gisting. Het ging de dichters (en schilders: Cobra!) uit de jaren vijftig in hun meest creatieve momenten niet om het product, maar om het proces. Omdat er geen films zijn van dichtende dichters – die zouden ook geen bijster interessant materiaal opleveren – laat die gisting zich nog het best illustreren aan een film van Jan Vrijman uit, ik meen, 1960. We zien Karel Appel met een bakfiets vol schildersmateriaal door Parijs fietsen, we zien hem de spullen uitladen bij zijn atelier. Und dann geht’s los: Appel graait twee verftubes van de tafel en stort zich op een groot wit doek, dat daar hangt. Gaande het proces begint hij te zweten en raakt zichtbaar in een lichte trance. Zó schilderen, daar ging het om. En zo dichten. Lucebert sprak van ‘het proefondervindelijk gedicht’. Dat is niet ‘maar wat anrotzooien’, zoals Karel Appel maar al te vaak fout geciteerd wordt. Dat is procesmanagement très avant la lettre.

En dan moeten de dichters aan het eind niet klagen, dat ze niet begrepen zijn. Ze wilden niet begrepen worden. Sterker: zij begrepen zichzelf niet eens. En daarom rest hen aan het eind niet meer dan een afscheidsgroet.

 

Adieu schrijven de dichters een leven lang

En vergrijzend als lavendel in november

Blijven zij, gangreen en grap en raadsel,

Erbarmelijk bedelen om mededogen,

Zoals ik voor de sleet op mijn oren en ogen

Die jou beminden, beminnen.

 


 

[1]  Paul Claes: De mot zit in de mythe. Antieke intertextualiteit in het werk van Hugo Claus. (doct. Diss.), Leuven 1981