Het leven en de werken

jan-dejong.nl

THUIS  |  ESSAYS  |  500 WOORDEN  |  COLUMNS  |  RECENSIES LTM  | JAN DE JONG OP CUBRA.NL  |  FOTO'S 
 

 

 


De troost van de canon

Les 4: een meisje versieren  |

 

 

Het Groot Liedt-Boeck van G.A, Bredero, Amsteldammer, verscheen in 1622. In dat jaar was de schrijver van het werk al vier jaar dood. Maar de uitgever, Cornelis van der Plasse, zal gedacht hebben: ‘Die Bredero was zo populair toen hij nog leefde. Als ik zijn verzamelde liedteksten nu eens lekker luxe ga uitgeven, dan houd ik daar vast en zeker een aardige cent aan over.’ En luxe werd het, dat liedboek. Luxe en duur. Omgerekend zou je er in 2005 toch al gauw een eurootje of driehonderd voor moeten neertellen. Geen wonder dat Van der Plasse twintig jaar later nog steeds met de halve voorraad opgescheept zat. Want het boek was geen succes geworden. Maar dat lag niet alleen aan de prijs. Het kwam ook omdat rond die tijd de smaak van het boekenkopende publiek veranderde. Die wilden liever deftige gedichten dan van die middeleeuws aandoende liedjes. Die liedjes, die zongen de mensen op straat maar. En ja, die kochten natuurlijk weer geen boeken. Zeker niet als ze er het lieve sommetje van een gulden en veertien stuivers voor moesten neertellen. En zelfs niet als een van de grootste schrijvers van de zeventiende eeuw er zichzelf en zijn kunnen van tijd tot tijd in ontstijgt. Want dat doet Gerbrand Adriaensz. Bredero, Amsteldammer. Lees maar mee.

 

Er loopt een eenzame jongeling door de nachtelijke straten van een grote stad. Waarom? Het regent en het is koud. Wat bezielt hem? Moet hij nog vlug ergens heen? Komt hij net van zijn werk in een lawaaiige studentenkroeg? Nee. Hij zwerft rond. Doelloos. Als iemand hem zou vertellen dat het koud is en dat de regen met bakken uit de lucht valt, dan zou hij zijn schouders ophalen. Regen? Kou?

Het zou wat. Hij is verliefd. En het ongenaakbare meisje van zijn dromen ligt in het huis van haar ouders de slaap der onschuldigen te slapen. Tenminste, daar gaat hij gemakshalve maar van uit. Natuurlijk, ergere scenario’s zijn aan zijn hoofd voorbijgetrokken. (Zij droomt van een ander. Of, overtreffende trap, zij ligt daar met die ander en kreunt van genot.) Met enige moeite schuift de jongeman die deprimerende gedachten terzijde. Het is zo al erg genoeg. Zij slaapt, zacht en droomloos, en is zich niet bewust van de liefde die hier, op een steenworp afstand, naar haar uitgaat.

 

’s Nachts rusten meest de dieren,

Ook mensen goed en kwaad,

En mijn lief goedertieren

Is in een stille staat,

Maar ik moet eenzaam zwieren

En kruisen hier de straat.

 

Ik zie het zwerrik drijven,

Ik zie de klare maan,

Ik zie dat ik moet blijven

Alleen mistroostig staan.

Ach lief, wilt mij gerijven

Met troostelijk vermaan.

 

Zo begint een van de mooiste liefdesgedichten uit de Nederlandse literatuur. Gevoelig, inlevend, modern. En om en nabij de 400 jaar oud. In dezelfde tijd waarin Shakespeare Romeo de liefde van zijn Juliet laat bevechten, wandelt Bredero’s eenzame ik door de verlaten straten van, waarschijnlijk, Amsterdam. Zoals we allemaal rondgedoold hebben door onze steden en dorpen. Langs landwegen en door parken. In ons hoofd of in het echt. Maar behalve een paar gelukzalige fantasieën heeft die labiele verliefdheid ons weinig opgeleverd. En zeker het meisje van onze dromen niet! Een beetje verliefdheid beleef je immers alleen. Zo ook de arme doler in het onderhavige gedicht, dat (we slaan even achttien regels over) eindigt met

 

Och slaapt gij, mijn behagen,

Dewijl ik doe mijn klacht?

Wat baat mij dan mij klagen,

Nu gij den doven slacht?

Ik zal ’t geduldig dragen,

Ik wens u goede nacht.

 

Mijn vrouw van mijn gemoed,

Adieu, en droomt geneugelijk

En slaapt gerust en zoet.

Ach, ’t is mij zo onmeugelijk

Te rusten als gij doet.

 

Ja, dat wordt dus niks zo.

Ze lijkt wel doof voor zijn klacht. En tja, dan zit er dus niets anders op: nou, tabee dan, welterusten. Maar daarmee is het natuurlijk nog niet gedaan. Welke verliefde dwaas laat zich immers ontmoedigen door de desinteresse van het object van zijn liefde? Niemand toch? Stel je voor. Natuurlijk, als zij de liefde beantwoordt is dat mooi meegenomen, maar het hoeft natuurlijk niet. Verliefd zijn is op zichzelf al een cadeautje dat de natuur zo links en rechts weleens weggeeft. De onbereikbaarheid van die ander is meestal eigenlijk maar goed ook. Stel je voor dat iedere verliefdheid een bestendige relatie zou opleveren. Een mens komt nu vaak al tijd tekort! Amoureuze gevoelens zorgen voor een paar dagen (weken, maanden) verstrooiing. Een prettig gevoel dat zich na verloop van tijd weer net zo makkelijk laat wegdrinken. Al moet je met dat laatste niet te vroeg willen beginnen:

 

Wat baat mij den drank daar ellik vreugd uit zuigt?

En dit lief gezelschap dat nu dus zingt en juicht,

Met blij en zoet gelach?

Als ’t oog hier niet de liefste ziet,

Die ik zo garen zag.

 

Niets, goede vrienden. Drank helpt niet als je alleen maar graag dat ene meisje wilt zien. Dat komt later wel. Als je haar liever helemaal niet meer wilt zien. De kroegen zitten vol mensen die voor de liefde gevlucht zijn. Maar onze verliefde jongeling, die in het vorige gedicht nog langs de straten zwierf, komt in ‘Den droevigen Vrijer’ veel te vroeg in het café. Er wordt daar gedanst en gezongen, met het eigen of met andermans wijf.

 

Ach! daar een ander gelukkig hem bevindt,

Nevens degene die hij van herte mint,

Daar zit ik hier alleen;

Diens groot geluk vermeerdert mijn druk

Met droeve treurigheên.

 

[…]

 

Gaat hene, speelnoot, verheugt de jonge liên,

Ik zal mijn zelven van binnen wat bezien,

En dromen van mijn vrouw,

Al is ’t bedrog, het zal mij nog

Verkwikken in mijn rouw.

 

Gaat hene, gaat hene, wat hebdi nog al praats,

Misschien zal u een ander afwinnen nu de plaats,

En ’t meisjen ook daarbij.

Ik dank u zeer van al de eer

Die gij bewijst aan mij.

 

Helaas, prinsesje! helaas waar zijdi nu?

Helaas, mijn leven! wat ben ik zonder u?

Een schaduw’ en een schijn,

En geen ding min als die ik bin,

Als ik bij u mag zijn.

 

Ja, jongens, zo gaan die dingen. Jullie weten er alles van. Aarzelend hef je het glas, terwijl je naarstig rond speurt of jouw prinsesje zich misschien ook in het etablissement bevindt. Of iemand die op haar lijkt. Want die zijn er volop, zoals je weet. Eenmaal verliefd op Roosje ziet Kloris haar overal. In een blik, een gebaar, een neus, die opgetrokken schoudertjes. Maar zolang het de echte niet is, is er geen reden tot feesten. (En als het de echte wel is, ook niet – waarom zou ze immers op zoek zijn naar jou?)

Nee, de ongelukkige gelukkige, die met zijn hoofd in de wolken loopt en met zijn voeten een paar decimeter boven de grond, moet niet veel van het aardse genot van de andere kroeglopers hebben. Daar staat hij boven. Of op zijn minst: buiten.

 

Anderen zijn niet zo labbekakkig. Die mijmeren, noch drinken, maar stappen recht op hun doel af. Wij, de hopeloos verliefden, kijken een beetje jaloers maar vooral nieuwsgierig toe. Hoe pakt hij het aan?

Niet: ‘Heb jij misschien een vuurtje?’ (Nee, ik rook niet.)

Niet: ‘Wil je iets van me drinken?’ (Rot op, slijmerd.)

Niet: ‘Ken ik jou niet ergens van?’ (Mogelijk, ik ben een trouw bezoeker van Artis.)

Maar wat dan? Zet je glas neer, houd je hand achter je oor, zet je blik op neutraal, en luister mee:

 

Gekroonde keizerinne,

Veroveres der snedigste verstanden,

Die d’allerkoudste zinnen

Slechts met één wenk doet blakeren en branden,

En ’t leger dwingt

Der menselijke krachten,

Gij schrikt de volken

Met deze stomme tolken

Der gedachten.

 

O overgoude zonne!

Geen sterf’lijk oog kan uw gezicht verdragen,

Eenieder geeft ’t verwonnen,

Als weerloos…

 

Stop! Probeer het arme kind niet meteen definitief te smoren in uw buitenissige superlatieven! Geef haar adem, gun haar lucht! Laat… nee, wacht. Het meisje slaat haar ogen neer en er verschijnt een nauwelijks herkenbaar familielid van een glimlach rond haar mond. Maar de kordate vrijer ziet het niet. Hij draaft door: gulden wagens pronken met haar, doorluchtige geesten offeren haar zoete vaarzen. Het hindert niet. Zij is al lang opgehouden met luisteren. Ze weet immers dat het complimentjes zijn! Het is, zoals steeds, de toon die de muziek maakt. En in het treffen van de juiste toon, daarin is onze amant zeer bedreven. En zelfs als hij, toch wel een beetje banaal, eindigt met

 

Och! aan de tipjes

Van uw lieve lipjes

Bleef ik hangen.

 

schiet zij niet in een onbedaarlijke lach.

Had Bredero zijn bijnaam, de dolle vaandrig, soms aan dit soort wellustige uitspraken te danken? Ik weet het niet. Feit is in ieder geval dat niet de minsten hem in die laatste intieme regeltjes navolgen.

 

En je neus en je mond en je haar

en je ogen en je hals waar

je kraagje zit en je oor

met je haar er voor.

 

maakt Gorter er zo’n 375 jaar later van. En voordat we weer een eeuw verder zijn, heeft Joost Zwagerman Gorter alweer het postmoderne tijdperk binnengesleurd en is er ineens sprake van een ‘klit / waar je haar voor zit.’ Het kan verkeren.

 

Terug naar Bredero, want bij hem zijn we in de leer. Een ‘dolle vaandrig’ worden, dat lijkt ons immers wel wat. En één voorwaarde daarvoor is ons inmiddels duidelijk: we zullen doortastend moeten zijn. Onze bron der minne moeten aanspreken. Met alle risico van dien. Want zo lang wij de aanbedene niet hebben gezegd hoe lief ze is en hoe mooi, zal ze ook niet smalend op ons neerkijken, een kort maar krachtig ‘Ha!’ later horen en zich omdraaien. Waarna ze zich natuurlijk naar haar vriendinnen spoedt, om te vertellen welke onaantrekkelijke boer het nu weer gewaagd heeft, zich tot haar te richten. En de vriendinnen giechelen en lachen. En vertellen het weer verder aan hun vriendinnen (en aan hun broers, neven, buurjongens en desnoods aan willekeurige voorbijgangers). En die zullen ons allemaal aankijken, de een meewarig, de ander spottend.

En ons lief zal ons verder negeren, al is dat het minste van onze problemen, want van het ene moment op het andere is ze ons lief niet meer. Ze is dat kutwijf, dat ons hele leven en ons eeuwige geluk heeft verziekt. Nee, dan kun je maar beter zwerven en zwijgen. Of haar sublimeren tot een ‘literair geval’, zoals Anton Wachter met zijn Ina Damman deed.

Of… of…

Of we volgen het voorbeeld van de ervaren vrijer en vleier, die – in tegenstelling tot wat wij denken – ook vaker op zijn gezicht gaat dan dat hij succes heeft. Hij lacht om zijn kortstondige ellende, krabbelt weer op, klopt het stof van zijn jas, herpakt zich.

 

Al zegdi, zoete dier,

Dat ik zeg, dat ik schier

Om u verteer in ’t minnevier,

Het is wel waar, het is geschied,

Ik heb ’t gezeid, maar ‘k meenden ’t niet.

 

En gaat over tot de orde van de dag. Het jachtseizoen is immers nog lang niet gesloten. En waarom zou hij deze keer niet voor de hoofdprijs gaan? Het meisje waar ze allemaal naar verlangen. Dat in haar eentje meer natte dromen op haar conto heeft, dan Moeder Theresa schietgebedjes. Het meest begeerde meisje van de stad. Mooi. Rijk. Intelligent. Muzikaal. Creatief.

Wie durft? Bredero wel:

 

Godinne die de naam van ’t schiprijk eiland voert,

Die met geen toverkracht hemel en aard beroert,

Maar die met uw gezicht en goddelijke kunst

De grootste man beweegd doet snakken naar uw gunst,

 

De grootheid van uw macht ik nooit zo hoog en hiel

Als ik de hoogheid doe van uw verheven ziel,

Die op de top des lofs ten pronk des werelds staat,

Zulks dat de zon beschaamd zijn ogen nederslaat.

 

Het verschil met de vorige versierpoging moge duidelijk zijn. De begeerde daar was helemaal geen gekroonde keizerin. De grootse overdrijving, de hyperbool, moest daar zijn werk doen. Ook het meisje wist dit en sloot daarop bedeesd de woorden buiten, overtuigd als zij was van de bedoeling van de aanbidder.

Maar hier ligt dat een tikkeltje anders. Maria Tesselschade, want over wie hebben we het hier anders, is de godin, die de naam van het schiprijk eiland voert. Haar vader, de bekende reder (en dichter!) Roemer Visser, kreeg op de dag van Maria’s geboorte ook het noodlottige bericht dat een van zijn schepen ter hoogte van Texel was vergaan. En hij besloot de schade op zijn dochtertje te verhalen. Was het de reder of de dichter die op dit lumineuze, maar eigenaardige idee kwam? We weten het niet. Al is het een feit dat de unieke combinatie van Maria’s uitzonderlijke begaafdheid en haar vreemde naam haar tot de meest bezongen vrouw van de zeventiende-eeuwse Nederlandse literatuur maakt.

Zal zij minzaam geluisterd hebben? En hield ze dat keurig vol bij de volgende strofen?

 

’s Morgens voor dauw en dag en in den dageraad,

Wanneer hij opgetooid uit zijn slaapkamer gaat,

Als gij nog legt en slaapt met al uw huisgezin,

Dan komt den brallerd aan door glazen vensters in.

 

Hij kijkt, hij wederkijkt en ziet uw schoonheid door,

Uw zilverblanke vel verguldt hij met zijn gloor,

Gij voelt de luwte van zijn stralen zoet en zacht

En toont hem al hetgunt [= hetgeen] hij meest op aarde acht.

 

Hij doet al wat hij wil en wat hem best behaagt,

Dan gaat de snoeperd deur, hij schendt zo menig maagd,

Waar dat die vrouwenman maar steelwijs eens insluipt,

Hij vindt geen vrouwtje die hij niet in slaap bekruipt.

 

Natuurlijk, een paar regels verderop blijk dat de noeste insluiper het slechts op haar ogen heeft gemunt. Hij vervangt ze door twee zonnen, waarmee elke man wel wil worden aangekeken. Ook onze vrijer, ons voorbeeld:

 

Dit is mijn hoogste vreugd daar ik mij in verblij,

Dat gij uw oogjens slaat uit goedheid eens op mij,

Als uw genade mij eens vriendelijk aanziet,

Ik ruilden dat geluk om al de wereld niet.

 

Da’s dan weer een mooi en kuis zeventiende-eeuws slot. Maar het feit dat Maria het gedicht tot het einde toe heeft uitgezeten leert ons ook nog van alles. Bijvoorbeeld dat wij niet alleen te terughoudend zijn geweest, maar vooral ook te braaf, te steriel. Want eigenlijk zijn we ineens weer wel erg dicht bij de meest basale fout van die eenzame jongeling die door de regenachtige stad zwierf. Die fantaseerde een ogenblik hoe zijn lief kreunde van genot onder haar echte minnaar. Alleen, hij verwierp dat idee in stilte – en ging er voor de duur van zijn verliefdheid onder gebukt. Zo niet de dolle vaandrig. Die spelt zijn jaloezie zo ongeveer uit voor dat mooie meisje met die ongebruikelijke naam. En dat neemt haar dan weer erg voor hem in.

 

Leermomenten:

1.       Vertel je onbereikbare teerbeminde nooit dat je van haar houdt. Eenzaam verliefd zijn is aangenamer dan afgewezen worden.

2.       Duik niet meteen de kroeg in en als je toch meteen de kroeg in duikt, lees dan deze regels niet.

3.       Als je niet bang bent om op je gezicht te gaan: wees doortastend en complimenteer je erg gemiddelde geliefde met woorden die ver boven haar stand zijn. Het gaat er minder om wat je zegt, dan hoe je het zegt. Noem haar gerust een keizerin. Ze luistert toch niet.

4.      Voor de ver gevorderden: probeer ook eens een meisje dat wel luistert. En let er dan uiteraard wel op wat je zegt. Hier geldt trouwens: hoe hoogstaander het meisje, hoe makkelijker de aanbidder het heeft. De kans op overdrijven neemt evenredig af met haar hoogstaande kwaliteiten. Een compliment over haar uiterlijk klinkt, gericht tot Keira Knightley, een stuk geloofwaardiger, dan wanneer je hetzelfde tegen Connie Palmen zegt.

 

En dan? Dan heb je haar. Wat doe je dan? Ga je voor het eeuwige geluk? Of haal je de dag na de bruiloft je jachtgeweer weer uit het vet? Jij en ik gaan natuurlijk voor de eeuwige trouw. Maar hoe doen anderen dat? Hoe gaat zoiets bijvoorbeeld bij dolle vaandrigs in zijn werk? Meteen na het gedicht dat is opgedragen aan de ‘Godinne die de naam van ’t schiprijk eiland voert’ volgt een ‘Dochters klaagdicht, Van de ongetrouwigheid van een die zij bemint’. Het perspectief ligt hier, voor één keer, bij het meisje. In maar liefst 114 regels treurt het meisje om haar man, die bij enig ander lief in enig ander land ligt.

Eerst de traditionele zeventiende-eeuwse metafoor van de woeste zee:

 

’t Onweer noch de gillende wind

Bekrijgt zo niet de zeebaren,

Niemand hem zo beangst en vindt

Om gevaarlijk ’s nachts te varen,

De zee niemand zo zeer en schendt,

Als mij dit ongeluk vol ellend.

 

Om een paar strofen verderop duidelijk te maken waar het echt om gaat:

 

Had ik Medea’s riemekracht,

‘k Zou die toverkunst gaan leren,

Ik zou haast krijgen in mijn macht

Mijn ontroofde lief en here,

Ik zoude hopen dat ik dan

Hem zou genieten voor mijn man.

 

Maar ik heb wapen, kruid noch kunst,

Noch verboden goochelweten

Om u te trekken tot mijn gunst.

Ach, hoe meugdi mij zo vergeten

In dees mijn troosteloze nood?

Uw liefde voert mij in de dood.

 

Waarmee ik maar gezegd wil hebben dat liefde oorlog is. En Valentijn is zijn profeet. Overal schuilt het gevaar van het amoureuze terrorisme. Want uiteindelijk is het met de liefde natuurlijk al net als met het leven zelf: we rommelen maar wat aan.

En de vaandrig, dol of niet, leert ons in alle bovenstaande gedichten (en ook in die honderden die ik niet genoemd heb) hoe je een meisje kunt krijgen. Maar hoe je haar kunt houden is een ander verhaal. Daarvoor moeten we niet bij Bredero zijn. Al heeft hij wél een excuus: hij is natuurlijk ook helemaal niet zo oud geworden.