Het leven en de werken

jan-dejong.nl

THUIS  |  ESSAYS  |  500 WOORDEN  |  COLUMNS  |  RECENSIES LTM  | JAN DE JONG OP CUBRA.NL  |  FOTO'S 
 

 

 


Shakespeare, Darwin en de houdbaarheid van poëzie |

 

 

Er bestaat sinds een jaar of tien een trend om Darwins evolutieleer op de literatuur los te laten. Dat leverde tot nu toe, behalve wat boeken met vrolijke titels als Madame Bovary’s ovaries, geen wereldschokkende resultaten op. Dat Emma Bovary haar oude echtgenoot inruilt voor een viriele jongeman om aan de darwinistische wetten te voldoen, is misschien een aardige stelling aan een intellectuele borreltafel, als conclusie van een wetenschappelijke studie is het wat mager. Het ‘literair darwinisme’ had, zo leek het, een snel leegbloedende ader aangeboord.

Dat veranderde in 2009 met het verschijnen van On the origin of stories. Evolution, cognition and fiction van de gerenommeerde literatuurwetenschapper en Nabokovbiograaf Brian Boyd. Hij stelde veel fundamentelere vragen dan waarom Emma Bovary haar eierstokken achternaliep. Hij ging op zoek naar een darwinistische verklaring voor het bestaan van verhalen. Waarom hebben mensen uit alle culturen blijkbaar behoefte aan verhalen, waarvan ze weten dat het verzinsels zijn? Boyd formuleerde in zijn boek meerdere antwoorden. De belangrijkste waren: verhalen dragen bij aan de groepscohesie en verhalen geven op een boeiende, narratieve manier aanwijzingen hoe mensen moeten leven om te overleven. Zo waarschuwen mythen waarin de goden het goede belonen en het slechte bestraffen, tegen asociaal gedrag als hoogmoed, diefstal en ontrouw. Dat klinkt logisch. Vooral omdat Boyd zich in zijn boek bewust beperkte tot dergelijke narratieve teksten. On the origin of stories werkte bovendien met heldere voorbeelden en was nog eens goed geschreven ook. Geen wonder dat het door de internationale pers behoorlijk positief werd ontvangen.

 

Dat On the origin of stories zich beperkt tot verhalen, roept natuurlijk wel meteen een nieuw vraag op: hoe zit dat dan met de poëzie? Nou is in een hoop gedichten natuurlijk wel iets van een verhalende laag te ontdekken, zodat ook de poëzie zich op het eerste gezicht naar de theorie lijkt te schikken. Maar voor andere gedichten gaat dat helemaal niet op. En ook die blijken de tand des tijds vaak met glans te doorstaan.

Het meest in het oog springende voorbeeld zijn de sonnetten van Shakespeare. Ruim vierhonderd jaar geleden geschreven en nog steeds behorend tot de toppen van de wereldliteratuur. In zijn nieuwe boek Why lyrics last. Evolution, cognition and Shakespeare’s Sonnets wil Boyd dit probleem ontraadselen. Hij bewandelt daarvoor twee wegen: die van de literatuurwetenschap en die van het darwinisme.

Allereerst bespreekt hij, in de beste traditie van de Shakespeare-studie, de bijzondere structuur van de sonnetten. Want hij wil laten zien hoe het komt dat lezers al eeuwenlang gegrepen zijn door deze teksten. De sonnetten vormen immers de enige niet-verhalende teksten van Shakespeare. Volgens Boyd heeft de dichter zich er bewust toe heeft gezet om in een betrekkelijk korte tijd een reeks gedichten te schrijven waarin de kracht van allerlei vormaspecten (stijl, constructie) de plaats van het verhaal moest innemen. Het is dus de vorm die het werk moet doen. En dat lijkt gelukt: niemand leest de sonnetten van kaft tot kaft, maar waar je ook begint, er is altijd wel iets dat je boeit. De eerste indruk is de beste en Shakespeare stelt ook in dat opzicht zelden teleur.

Kijk bijvoorbeeld eens naar Sonnet 30, dat begint met de regel When to the sessions of sweet silent thought. Boyd koppelt deze regel aan het verwachtingspatroon van de zeventiende-eeuwse Engelse lezers. Die zijn bekend met het genre en menen daarom dat sonnetten altijd in vijfvoetige jamben verschijnen. Vijf keer afwisselend een onbeklemtoonde en een beklemtoonde lettergreep dus. Omdat de openingsregel van Sonnet 30 met de beste wil van de wereld niet zo te lezen is, krijgt het gedicht voor de contemporaine lezer iets raadselachtigs. En niet alleen het gedicht, zo stelt Boyd, maar ook de auteur.

 

Op deze manier bespreekt Boyd verschillende andere vormaspecten (‘patterns’) die lezers van toen en nu blijven intrigeren. Veel daarvan waren natuurlijk al eerder beschreven in de Shakespeare-literatuur. Zo is het opvallende metrum van Sonnet 30 iedere liefhebber genoegzaam bekend. Maar intussen blijft boven Boyds analyses steeds het idee zweven dat er wellicht meer aan de hand is. Want we zien natuurlijk allemaal wel wat er staat, maar het gaat Boyd uiteindelijk om het waarom. Om dat te verklaren heeft hij het darwinisme nodig. Na een vrij overbodige inleiding over goedkope zaadjes en dure eitjes op de biologische markt van vraag en aanbod, komt hij met zijn eindbod: de sonnetten zijn liefdesgedichten. En dat lijkt nog meer een open deur dan het is. Want waar wij, moderne lezers, gedichten vooral interpreteren door middel van de inhoud, lag dat in de vroege zeventiende eeuw anders. De vorm van het sonnet maakte het tot een liefdesgedicht. Een min of meer raadselachtige inhoud hoefde dus niet per se voor interpretatieproblemen te zorgen. Wel plaatste het de maker in een mysterieus, en daardoor wellicht aantrekkelijk licht. Boyd illustreert deze stelling met een literair feit dat in de Shakespeare-literatuur al zo’n vijftig jaar bekend is. Het gaat om de laatste twee regels van Sonnet 145: ‘I hate’ from hate away she threw, / And saved my life, saying ‘not you’. Vrij vertaald: als zij ‘ik haat’ zou zeggen, zou het mij erg helpen als ze er ‘niet jou’ aan toevoegde. Een mooie afsluiting van een liefdesgedicht. Maar in de vorm zit meer verborgen. ‘hate away’ lijkt bijvoorbeeld erg op ‘Hathaway’, de achternaam van Shakespeares geliefde Ann. Die Ann zou hem blijkbaar het leven redden als zij (de naam) ‘Hathaway’ van zich afwierp. Om vervolgens natuurlijk keurig Mrs. Shakespeare te worden. Een (verborgen) aanzoek in sonnetvorm!

Het zijn dit soort observaties en interpretaties die van Why lyrics last een leesavontuur maken dat telkens weer verrast en boeit. Het boek is daarom voor literatuurliefhebbers beslist de moeite waard, maar voor de volgelingen van het literair-darwinisme moet het toch wel een domper zijn: de ader is nu kennelijk echt leeg.

 

 

Brian Boyd: Why lyrics last. Evolution, cognition and Shakespeare’s Sonnets

Harvard University Press, 227 blz. €24,99