Het leven en de werken

jan-dejong.nl

THUIS  |  ESSAYS  |  500 WOORDEN  |  COLUMNS  |  RECENSIES LTM  | JAN DE JONG OP CUBRA.NL  |  FOTO'S 
 

 

 


Vertellen om te overleven |

 

Er is met verhalen iets eigenaardigs aan de hand. Iedereen leeft mee als zijn buurman vertelt dat zijn dochter als slachtoffer van een loverboy al maandenlang in Oost-Europa onder schrijnende omstandigheden gevangen zit en tot prostitutie wordt gedwongen en dat alle pogingen om haar weer terug te krijgen tot nu toe op niets zijn uitgelopen. We zijn door zijn verhaal geraakt en voelen ons verdrietig vanwege zijn worsteling en het treurige lot van het meisje. Maar als we hetzelfde verhaal horen over iemand die we helemaal niet kennen, zal dat verdriet ineens een stuk minder zijn. En ook als we op een gegeven moment ontdekken dat de buurman het verhaal over zijn dochter van a tot z uit zijn duim gezogen heeft, zal het verdriet van het ene moment op het andere ophouden te bestaan.

Maar als u een literair verhaal leest over hetzelfde onderwerp, dan gaat dat per definitie over mensen die u niet kent. Sterker, het gaat over mensen die niet eens bestaan. En u wéét dat. En toch wordt u er door geraakt. Het is een bekend verschijnsel, waar door (literatuur)filosofen al heel wat over gedacht en geschreven is.

 

In zijn nieuwste boek On the origin of stories gaat Nabokov-kenner Brian Boyd op zoek naar een darwinistische verklaring van dit verschijnsel. Hij wil graag weten waarom kunst, en met name de vertelkunst, zo’n belangrijke rol speelt in het leven van ons mensen.

Omdat hij er Darwin bij haalt, lijkt hij zich aanvankelijk op een heilloze weg te begeven. We hebben de laatste jaren immers een hausse aan darwinistische literatuurwetenschap langs zien komen. Werken die zich, behalve door spitsvondige titels als Madame Bovary’s ovaries (waarin, inderdaad, de eierstokken van Madame Bovary een prominente rol spelen), toch vooral onderscheiden door de grote hoeveelheid open deuren die zij intrappen. Natuurlijk is het gedrag van Emma Bovary heel goed uit te leggen vanuit haar voortplantingsdrift en haar onbewuste zoektocht naar de biologisch meest profijtelijke partner. Zoals het boek ook uit twintig andere invalshoeken te verklaren is. Het lijkt wel wat op de psychologische mode uit het begin van de twintigste eeuw. De ene psychiater (Van Eeden) bedenkt een patiënt, waarna een andere (Rümke) haar in analyse neemt. Voornaamste voordeel van deze praktijk was dat psychiaters en psychologen bellettrie bij de belastingdienst als vakliteratuur konden opvoeren.

 

Boyd weet deze klip met gemak te omzeilen. Vooral omdat hij de verleiding kan weerstaan om in individuele romans op zoek te gaan naar darwinistische motieven. In plaats daarvan wil hij weten waarom wij überhaupt verhalen vertellen. Waarom de mutatie ‘kunnen verzinnen en vertellen’ er tijdens de evolutie niet al lang uit geselecteerd is. Blijkbaar biedt (vertel)kunst voordelen in de strijd om het voortbestaan van de menselijke soort.

Waar moeten we dan aan denken? In de eerste plaats brengt Boyd het produceren van kunstwerken in verband met de evolutietheorie: van oneindig veel nieuwe variaties blijven er door selectie slechts enkele over. Bij verhalen vindt die selectie op drie momenten plaats. Allereerst door de schrijver zelf, die een hoop schrapt of gewoon weggooit. Daarna door de contemporaine lezers en critici die door hun commentaar of door aankoop laten weten welke boeken wat hen betreft de moeite waard zijn. En tenslotte door opeenvolgende generaties lezers, die uit al die beschikbare werken zoiets als een canon destilleren. Daar lijkt geen speld tussen te krijgen. Maar op deze manier beschrijft Boyd het bestaan van goede literatuur wel in darwinistische termen, een verklaring voor dat bestaan is het nog steeds niet.

Daar komt hij al wat dichter in de buurt als hij het over de waardering heeft, die vertellers (waar hij bijvoorbeeld ook filmers toe rekent) ten deel valt. Blijkbaar loont het om goede verhalen te vertellen, omdat er aanzien en geld tegenover staat. Verhalen vertellen biedt in de strijd om het bestaan duidelijke voordelen boven het niet vertellen, of alleen maar luisteren. Het is mede bepalend voor de hiërarchische positie van de verteller binnen de eigen groep.

Maar waarom waarderen de groepsleden die vertellers dan zo hoog? Dat heeft weer te maken met de functie die hun verhalen hebben binnen de sociale context van de groep. Deze verhalen kunnen, in beelden of in woorden, een rol spelen bij het voortbestaan van die groep. Ze kunnen de groepscohesie bevorderen, door de kenners van het verhaal als een soort van ingewijden te definiëren. Wij tegenover zij. En ze kunnen door het duidelijk formuleren van waarden en regels (‘gij zult niet doden’) het voortbestaan van een gemeenschap voor langere tijd garanderen door haar te behoeden voor al te grote misstappen. De verhalen uit de grote religies zijn hier voorbeelden van, maar ook dorpsmythen en sprookjes spelen een dergelijke rol.

Maar hoe zit dat dan met moderne verhalen (en bijvoorbeeld met abstracte kunst), waarbij creativiteit en het doorbréken van normen en tradities in het oog springende kenmerken zijn? Waarom zijn die kunstvormen niet al lang in de lijn van de evolutieleer weg geselecteerd? Dat zou volgens Boyd weer te maken hebben met het feit dat creativiteit de mens in staat stelt om steeds nieuwe en meer complexe problemen het hoofd te bieden. Naast normbevestigende kunst heeft er altijd een soms zwakke onderstroom bestaan van kunst die de vastgeroeste waarden ter discussie stelt. Het gaat hier om dezelfde creativiteit die we ook uit de wetenschap kennen: het bewandelen van niet eerder begane paden, leidt heel vaak tot niets. Net als ongunstige biologische mutaties overleven ze dan ook niet. Slechts die ene mutatie die een verbetering betekent, zal, soms tegen de verdrukking in, blijven bestaan. Zo zal dat ene wetenschappelijke experiment dat niet doodloopt, een probleem oplossen waardoor de mensheid weer een stapje verder komt. En zal die ene vernieuwende kunstenaar perspectieven bieden, waarmee nieuwe ontwikkelingen mogelijk worden.

 

Of de studie van Boyd zo’n stap voorwaarts is, moeten we evenwel nog afwachten. Want hoewel het een stevig en doorwrocht verhaal lijkt, blijft toch de vraag een beetje hangen, wat wij er nou voor de literatuur aan hebben. On the origin of stories lijkt daarom vooral een uitnodiging om de literatuurgeschiedenis, zoals wij die denken te kennen, eens van een heel andere kant te bezien. En ja, misschien wel met de ogen van een bioloog. Ik ben dan ook benieuwd welke (Nederlandse) literatuurhistoricus bereid is om deze handschoen op te pakken. En vervolgens of zo’n nieuwe aanpak daadwerkelijk hout zal snijden.

 

Brian Boyd: On the origin of stories. Evolution, cognition, and fiction

Harvard University Press, 540 blz. € 30,99