Het leven en de werken

jan-dejong.nl

THUIS  |  ESSAYS  |  500 WOORDEN  |  COLUMNS  |  RECENSIES LTM  | JAN DE JONG OP CUBRA.NL  |  FOTO'S  |  E-MAIL JAN-DEJONG.NL
 

 

 


Stilaan een zich oud voelend man |

 

Als je aan een beetje belezen Nederlander vraagt wie de beste schrijver van de negentiende eeuw is, heb je een goede kans dat hij met Multatuli komt aanzetten. En daar heeft hij gelijk in. Met Gezelle en Busken Huet als goede tweede en derde kan er wat mij betreft niet aan de suprematie van de Man van Lebak getornd worden.

Maar als je van diezelfde erudiete landgenoot wilt horen wie de hitlijsten van de twintigste eeuw aanvoert, dan weet hij het niet. Of liever: hij weet het wel, maar onder zijn soortgenoten zijn op zijn zachtst gezegd de meningen nogal verdeeld. Laat ik u daarom uit de droom helpen, door één naam te noemen.

Louis Paul Boon.

Auteur van De Kapellekensbaan en van Jan de Lichte en natuurlijk van Wapenbroeders, waarin hij aan de hand van de ‘aloude verhalen van Reinaert en Isengrimus’ het Vlaanderen (België, de wereld) van de twintigste eeuw te kijken zet.

Maar ook de dichter Boon mag er wezen.

(Wat zeg je? Boon, een dichter?)

Vóór mij ligt een bundel met de nogal pretentieuze titel Verzamelde gedichten. Van Louis Paul Boon. Het zijn er dertien. En dat het boekje toch nog zesentachtig bladzijden telt, is vooral te danken aan de royale opzet met veel wit en aan het simpele feit dat Boons bekendste gedicht, ‘de kleine eva uit de kromme bijlstraat’ in zijn eentje al goed is voor vijfendertig(!) dichtbedrukte pagina’s. Maar waar Boon zich in zijn proza niet bepaald doet kennen als een man die zuinig met woorden omspringt, toont dit juweeltje hem in zijn grootse soberheid.

 

zo zal ik dan worden

stilaan een zich oudvoelend man

een bloem een gedicht op de lippen

en verder wat knutselend nog

aan luchtvervuiling en zo

 

zo zal ik dan worden

een propere oude man

als ons hondje dat niets mocht

in huis doen en zo doof

was geworden als een pot en zo

 

Maar dit is Boon toch niet, meneer? De man die de mensen een geweten wilde schoppen? De sociaal-anarchist over wie de terecht vergeten critica Jeanne de Bruyn in 1943 schreef: “Het schrijversras waartoe Boon behoort, moet uitgeroeid worden als het voor gezondmaking onvatbaar is. Het vergiftigt alwat [sic!] het aanraakt”?

Kijk, dat waren nog eens tijden. Tijden overigens, die in België nog een stuk complexer waren dan bij ons. Want hoewel die mevrouw De Bruyn in de nazistisch gezinde krant Volk en staat vrijelijk kon uithalen naar alles wat (anders)denkend was, publiceerde de Volksfeind uit Aalst rustig de ene roman na de andere. En mocht ondertussen ook nog de prestigieuze Leo J. Krijnprijs ontvangen van een jury waar Willem Elsschot in zat.

 

Maar inderdaad: de schrijver van ‘zo zal ik dan worden’  lijkt wel wat bedaagder. Maar het is dan ook het eerste gedicht van een drietal dat ‘drie gedichten van een stilaan oudwordend man’ heet. En zelfs die oude man zal nog wel wat knutselen aan luchtvervuiling en zo. Tenslotte moet het actiegroepenwezen het straks van ons, ouderen met veel vrije tijd, hebben, terwijl de jeugd de centjes verdient.

Was dat vroeger niet andersom? Jawel. En dat weet de oude nog heel goed:

 

zo zal ik dan worden

met wat schorre stem verhalen

aan mijn kleinzoon over vroeger

de revolutie die we toen wilden

de sovjetrepubliek vlaanderen en zo

 

Tja, vroeger. Toen het gras nog groen en het bier nog best was. En de jeugd nog gewoon links. Dat was de tijd kort na de Tweede Wereldoorlog, waarvan Boon uiterst persoonlijk verslag deed in Mijn kleine oorlog. En wat eindigde met de al gememoreerde voltreffer ‘SCHOP DE MENSEN TOT ZE EEN GEWETEN HEBBEN!’ Maar het duurde vijftien jaar voordat het boek zijn tweede druk beleefde. En na die vijftien jaar verraste Boon de argeloze lezer met twee extra hoofdstukjes, zodat Mijn kleine oorlog inenen een stuk minder militant eindigde, met de berustende snik: ‘WAT HEEFT HET ALLES VOOR ZIN?’

Toen was Boon al een beetje begonnen met een ‘oudvoelend man’ te worden. Zodat wij ook wel kunnen begrijpen dat ‘zo zal ik dan worden’ een tikje melancholiek eindigt:

 

zo zal ik dan worden

en vragen naar mijn bril

en zoeken naar mijn stok

om op te steunen en zo

 

Ja, dat is nou Boon, de vos, de rode felle, maar die zichzelf liever afschilderde als ‘tedere anarchist’. Die Ondineke met Oscarke deed trouwen en Rosa uit de Vergeten Straat met André, omdat we tenslotte niet groter kunnen worden dan we zijn. Een wijs man, die Louis Paul Boon.

En groter dan hij dacht.

 

Louis Paul Boon: Verzamelde gedichten

Amsterdam: De Arbeiderspers/Querido 1979