Het leven en de werken

jan-dejong.nl

THUIS  |  ESSAYS  |  500 WOORDEN  |  COLUMNS  |  RECENSIES LTM  | JAN DE JONG OP CUBRA.NL  |  FOTO'S 


Mooie Keetje uit Oosterhout,

'Het Noordbrabantsche meisje'

(Hildebrand: Camera Obscura)

afbeelding: CuBra


 

Leve de kenniseconomie  |

27 april 2013

 

 

Er zijn lieden die vinden dat vroeger alles beter was: de muziek mooier, de taarten lekkerder, de jeugd slimmer. Ik hoor daar niet bij. Als de hersencapaciteit van de jeugd er inderdaad per generatie op achteruit zou gaan, dan konden we allang niet meer op twee benen lopen. Of (andere mogelijkheid) 500 jaar geleden werd de aarde bevolkt door mensachtige wezens met een IQ van minstens 450. Als gemiddelde hè. Het is allebei niet het geval.

Met die domheid van onze kinderen valt het dus wel mee. Al doet de overheid er alles aan om te veel intellectuele vorming te voorkomen. Daarvoor sluiten ze niet alleen alle Leidse scholen als er iemand in Costa Rica roept dat ie gaat schieten, maar gooien ze ook het hele Nederlandse basisonderwijs plat voor koningsspelen zonder koning. Volgende week, ja, dán hebben we een koning. ‘Maar dan is het vakantie,’ sprak een plaatselijk schoolhoofd mij bestraffend toe. Hoe kon ik zo dom zijn, bedoelde hij.

Het neemt natuurlijk allemaal niet weg dat die koningsspelen niet alleen veel te vroeg zijn gehouden, maar ook nog eens zeer ten onrechte. Want zo wordt het natuurlijk nooit wat met die kenniseconomie. Als we graag slimme kinderen willen, dan moeten we ze niet laten koekhappen. Daar win je tenslotte geen nobelprijs mee. Met tegen een muur opklauteren trouwens ook niet. Toch hebben van de week zo’n 1500 Oosterhoutse kinderen zich daarmee beziggehouden. Onder schooltijd. Want alsof een koningsspelletjesdag nog niet genoeg was, was het ook nog eens Nationale Sportweek. Overal activiteiten, overal hinderlijke onderbrekingen van het ‘Bildungsproces’.

En ook de middelbare scholen deden mee. Verlaten gebouwen, lege lokalen, en buiten het geluid van hysterische kinderstemmen. Toen ik van de week nietsvermoedend zo’n school betrad, trof ik een lerares Nederlands die net naar buiten kwam strompelen. Verderop renden wat kinderen door de gang. Een germanist zat op een bankje te hyperventileren. Ik dacht meteen aan een schietincident. Maar toen de ongelukkige neerlandica voor mijn voeten ineenzakte, waren haar laatste woorden: ‘Bah, sportdag.’