Het leven en de werken

jan-dejong.nl

THUIS  |  ESSAYS  |  500 WOORDEN  |  COLUMNS  |  RECENSIES LTM  | JAN DE JONG OP CUBRA.NL  |  FOTO'S 


Mooie Keetje uit Oosterhout,

'Het Noordbrabantsche meisje'

(Hildebrand: Camera Obscura)

afbeelding: CuBra


 

De muts van de commandant  |

13 april 2013

 

 

Ik was vroeger een echte laatbloeier. De meeste jongens die ik kende, hadden halverwege de lagere school al uitgesproken ambities. Die wilden piloot worden. Of brandweerman. Ikzelf wilde het liefst aan het toneel en daarmee maakte je je niet populair op het schoolplein. Hooguit bij de meisjes, maar dat telt niet als je negen bent.

Ik kwam pas tot bezinning in de eerste klas van de middelbare school. Toen een bevlogen leraar Nederlands ons voorlas uit Godfried Bomans. Vrijdag het vierde uur. Alle belevenissen van minister Pieter Bas heb ik als luisterboek gehoord, lang voordat er luisterboeken bestonden. En ik wilde natuurlijk meteen minister worden, wat ook geen succesnummer was onder vrienden. Na Pieter Bas begon onze voorlezende leraar aan Kopstukken. En toen was ik verkocht. Vooral het hilarische interview met de brandmeester maakte diepe indruk. Ik moest en zou brandweerman worden! Maar het was al te laat, mijn vriendjes wilden ineens allemaal drummen in een bandje. Ach.

Die brandweercommandant van Bomans is mij trouwens wel blijven achtervolgen. Een bevlogen man die vol passie over zijn werk sprak. En over zijn problemen met de overheid: “Mijn mannen waren toen niet meer te houden. Ze spoten meteen het belendende perceel aan de andere kant weg en wilden juist met de huizen aan de overkant beginnen, toen de burgemeester tussen beide kwam. Hij had bezwaren. Wij hebben nooit de overheid mee, als het vakwerk wordt.”

Bij een volgende brand hadden de spuitgasten hier kennelijk van geleerd: “Ketelaar, die al jaren in ’t vak is, wist precies waar ’t gevaar dreigde. Eerst spoot ie de burgemeester, de wethouders, de raadsleden en al dat gespuis van ’t  wegdek af. Toen begon hij aan de omwonenden.” (Godfried Bomans: Kopstukken, 1959).

Nou dat wilde ik ook wel, omwonenden met huis en al de straat uit spuiten. Ik ging de omwonenden van mijn eigen ouderlijk huis maar na! Natuurlijk heb ik later mijn ambities enigszins bijgesteld, maar bij een fikse uitslaande brand, begint het toch altijd nog wat te kriebelen in mijn binnenste.

Intussen is het ongemerkt 2013 geworden en is de romantiek uit het brandweerwezen verdwenen. Niemand wil tegenwoordig nog brandweerman worden. Als je in Made of Woudrichem brand hebt, moet je eerst op cursus. Daarna mag je zelf gaan blussen. Want er heerst daar een dramatisch tekort aan brandweerlieden. Joost Pot, de brandweercommandant van de Amerstreek, wil er dus graag mensen bij. “We moeten op zoek naar creatieve oplossingen,” zei hij tegen deze krant. Bijvoorbeeld door meer vrouwen voor het bluswerk te interesseren. Maar niet ten koste van alles! Commandant Pot staat als één man achter het officiële motto: “Vrouwen zijn welkom, maar mutsen niet.” Schijnt in brandweerkringen een doodnormaal selectiecriterium te zijn. Bij mannen speelt dat kennelijk niet zo. De reglementen reppen nergens van een verbod op lulletjes rozenwater. Die worden ruimhartig toegelaten. Maar geen mutsen, alsjeblieft geen mutsen!