Het leven en de werken

jan-dejong.nl

THUIS  |  ESSAYS  |  500 WOORDEN  |  COLUMNS  |  RECENSIES LTM  | JAN DE JONG OP CUBRA.NL  |  FOTO'S 


Mooie Keetje uit Oosterhout,

'Het Noordbrabantsche meisje'

(Hildebrand: Camera Obscura)

afbeelding: CuBra


 

Het teken van de hond  |

6 april 2013

 

 

Ik ben een man zonder hond. Waarmee ik me onverbiddelijk diskwalificeer als ‘echte man’. Want een man, die gaat met zijn hond op jacht, drijft het wild bij elkaar, schiet een passerende hinde en geniet ’s avonds bij het kampvuur van het vers geroosterde hindenvlees. Samen met zijn trouwe viervoeter. Alleen tegen zijn hond vertelt een man zijn diepste geheimen. In de absolute zekerheid dat deze goede vriend ze nooit zal doorvertellen. Nou ja, tegen een andere hond misschien, maar dat telt niet.

Nee, dan ik. We hebben thuis één poes die het huis niet uitkomt, behalve als je hem in zijn nekvel pakt en buitensmijt. Maar dan staat ie na twee minuten weer aan de keukendeur te krabben. Nee, een poes is niks voor een man. Komt niet als je ’m roept en weigert van je schoot af te gaan als je een biertje uit de ijskast nodig hebt.

Vroeger was ik trouwens wel een echt hondenkind. Wij hadden thuis een aardige verzameling beesten: katten, een konijn, duiven, een kanariepiet en een handvol aquariumvissen die weg moesten toen ik ze op wonderlijke wijze had leren rugzwemmen. Vraag me niet hoe. Al deze beesten maakten deel uit van onze entourage. Het waren een soort decorstukken.

Zo niet de hond. Dat was een huisgenoot. Hij at nog net niet mee aan tafel en ’s nachts sliep hij keurig in zijn mand in de keuken. Maar verder drukte hij toch een behoorlijke stempel op de dagelijkse gang van zaken. Al was het alleen maar vanwege het uitlaten.

Omdat mijn moeder huis en tuin graag verschoond zag van hondendrollen, moest het beest vier keer daags mee uit. De ochtendronde was voor mij. Iedere morgen om half acht maakten wij een fikse wandeling. En onderweg hadden we het dan ergens over. Meestal over dingen die ik liever niet aan mijn moeder vertelde, maar toch wel aan iemand kwijt moest. Wat precies? Ach kom, ik was een jaar of acht. Zulke dingen dus.

Onze ronde voerde altijd naar een braakliggend veldje aan de Schepenstraat, alwaar mijn goede vriend mij laconiek de kont toekeerde om een forse drol te produceren. Daarna nam hij gelaten mijn complimenten in ontvangst en haastten wij ons terug naar huis. Want ik moest ook nog naar school.

Naar die drol keken wij niet meer om. Die werd pas ’s middags weer actueel als andere kinderen op dat veldje gingen voetballen.

Tegenwoordig kom je daar niet zo makkelijk meer mee weg. Tragische hondenbezitters lopen met plastic zakjes de excrementen van hun viervoeter te vergaren alsof het smakelijke bospaddenstoelen zijn. Wat weer wel een goede reden is om géén hond te nemen.

Over twee weken gaan Rijense kinderen vlaggetjes in hondendrollen planten. Ik las het en dacht: dat ik daar nou vroeger nooit opgekomen ben! Een feestelijk teken van de hond.