Het leven en de werken

jan-dejong.nl

THUIS  |  ESSAYS  |  500 WOORDEN  |  COLUMNS  |  RECENSIES LTM  | JAN DE JONG OP CUBRA.NL  |  FOTO'S 


Mooie Keetje uit Oosterhout,

'Het Noordbrabantsche meisje'

(Hildebrand: Camera Obscura)

afbeelding: CuBra


 

Temidden van het feestgedruis  |

16 februari 2013

 

 

’t Was carnaval en dat zouden wij weten ook! Al de hele zondagmiddag klonk er aanstekelijke hoempamalaise uit de muziektent op het grote plein. Geheel volgens de jongste richtlijnen keek de technicus van dienst niet op een decibelletje meer of minder. De hele binnenstad had er genoeg aan! En dat kwam goed uit, want de muziektent was een van de slechts drie bronnen van pretentieloos muzikaal vertier. De andere twee waren een café aan het plein dat de deur open had laten staan én een groepje uiterst beschaafde jongens en meisjes (zo van het conservatorium) die zich voor de gelegenheid het predicaat ‘Dweilorkest’ hadden toebedacht. Vooral de altviolen kwamen lekker uit de verf!

Op het plein, dat een omvang had van ongeveer drie keer de Markt in Oosterhout, had zich een enthousiaste menigte verzameld van al gauw een mannetje of twaalf. Gekleed in kleurige kielen en met bijpassende mutsen. Zij stonden elkaar een beetje hulpeloos aan te kijken. Wat nu? De uitbater van het café begreep dat hij nu in moest grijpen, anders was het feest voorbij voordat het goed en wel begonnen was. Daarom liet hij de feestvierders door een nette ober een glaasje bier offreren. Of iets fris natuurlijk, mocht iemand dat willen. De consumptie werd in dank aanvaard en viel in dusdanig goede aarde dat de hele hossende menigte besloot zich acuut naar het gulle etablissement te begeven. Waarna de achtergebleven technicus het wattage nog maar weer wat opschroefde, om in de hele stad de boodschap te laten neerdalen waar het feest zich precies afspeelde. En wat ze allemaal niet misten…

Nou geef ik toe dat mijn laatste carnavalsviering alweer een paar jaar achter me ligt. De herinnering kán dus iets vervaagd zijn. Maar mij staan grote optochten voor de geest. En volle zalen, zowel ’s middags als ’s avonds. Thuiskomen als mijn vader alweer aanstalten maakte om naar zijn werk te gaan.

Hij: ‘Zo, jij bent ook al vroeg op. Was het gisteren niet zo laat geworden?’

En ik: ‘Mwa, gaat wel. Maar ik denk dat ik er toch nog maar even terug in kruip. Ik moet vanmiddag weer fit zijn.’

Zo’n carnaval dus.

En dan nu dit. Deze beschaving. Deze rust. Met een laatste kroegtijger die om tien uur naar huis ging, want op maandag en dinsdag moest er wel weer gewoon gewerkt worden. Op die dagen was er van enige feestgedruis dan ook niets te merken in de stad. Of het moest het congres over bloedziekten op de plaatselijke hogeschool zijn. Met internationale sprekers, dat wel.

Een droom? Een nachtmerrie wellicht? Of alleen maar een vreemd verhaal?

Nee hoor, gewoon een keer carnaval in Deventer gevierd. Zouden meer mensen moeten doen. Misschien wel een idee om volgend jaar met zijn allen te gaan: vrijdags beginnen en op woensdag na het haringhappen pas weer naar huis. Kunnen ze daar ook eens lachen.