Het leven en de werken

jan-dejong.nl

THUIS  |  ESSAYS  |  500 WOORDEN  |  COLUMNS  |  RECENSIES LTM  | JAN DE JONG OP CUBRA.NL  |  FOTO'S 


Mooie Keetje uit Oosterhout,

'Het Noordbrabantsche meisje'

(Hildebrand: Camera Obscura)

afbeelding: Cubra


 

Onder de wilde beesten  |

14 juli 2012

 

 

Mensen die menen dat survivalweekends wel iets voor mij zijn, bezitten een tamelijk perverse fantasie. Als het om sportief bewegen in de buitenlucht gaat, ligt mijn grens in de buurt van een vorkje prikken op een terras. En naar de ober zwaaien om meer. Ook het deelnemen aan genoeglijke conversatie behoort nog tot de mogelijkheden. Maar dan hebben we het wel zo ongeveer gehad.

Toch (ik beken het zonder gêne) heb ik een verleden in de wereld van de woeste overlevingskunst. Ik was een jaar of tien, elf. En die wereld heette Padvinderij, meer specifiek het welpenbestaan. Iedere zaterdagmiddag kwamen wij bij elkaar op de zolder van een oude bioscoop in de Tuinstraat in Rijen. Die bioscoop bestaat al lang niet meer en de zolder is vanzelfsprekend met de rest van het gebouw ten onder gegaan. Achter dat theater lag een veldje waarop wij onze hutten bouwden en kuilen groeven en dat aan allerlei Rijk Rooms Grondbezit grensde: de pastorietuin aan de ene kant en een heus nonnenklooster aan de andere. Reken maar dat er over onze geestelijke gezondheid werd gewaakt, een waakzaamheid die op de zeer lange termijn tamelijk vruchteloos zou blijken – als ik voor mijzelf mag spreken.

Toch was ik in die tijd best fanatiek. Ik vergaarde een verzameling strepen en insignes die menig oorlogsveteraan jaloers zou maken. En in mijn laatste jaar bracht ik het zelfs tot een zekere mate van de baas spelen, toen ik gids werd van een handvol jong grut. Ik mag wel zeggen dat ik hen vol overgave op het juiste katholieke pad gehouden heb. Ach, misschien zijn ze toch nog goed terechtgekomen.

De werkelijke leiding was in handen van een stel jonge meiden van een jaar of twintig, die in onze ogen dus al van zeer middelbare leeftijd waren. Zij hadden geen gewone namen maar heetten Akela, Hathi, Bagheera, Raksha. Dat waren geen jonge meiden, dat waren wilde beesten! Wolven, panters, olifanten! De namen waren ontleend aan het Jungle Book van de Britse schrijver Rudyard Kipling. Die schreef omstreeks de eeuwwisseling (de vorige, die van 1900) een aardig oeuvre bij elkaar dat hem zelfs een Nobelprijs heeft opgeleverd.

Van de week hebben mijn lief en ik zijn woonst in Sussex, Engeland bezocht. Het is een kek landhuis dat Bateman’s  heet. Kiplings jaloersmakende werkkamer ligt erbij alsof hij elk moment binnen kan komen om verder te schrijven. Er liggen zelfs decoratief aangebrachte proppen papier op de grond. En ook het fraai aangelegde landgoed eromheen is een stuk deftiger dan dat veldje achter die Rijense bioscoop.

Maar ik heb in de parkwinkel voor de zekerheid toch het Jungle Book maar gekocht. Al was het maar om er nou eindelijk eens achter te komen wat wij daar eigenlijk uitspookten op die zolder in de Tuinstraat.