Het leven en de werken

jan-dejong.nl

THUIS  |  ESSAYS  |  500 WOORDEN  |  COLUMNS  |  RECENSIES LTM  | JAN DE JONG OP CUBRA.NL  |  FOTO'S 


Mooie Keetje uit Oosterhout,

'Het Noordbrabantsche meisje'

(Hildebrand: Camera Obscura)

afbeelding: Cubra


 

Gevonden voorwerpen  |

30 juni 2012

 

 

Lang geleden in wat ik nu, terugblikkend, mijn onschuldige jaren noem, stond ik op de roltrap op het station. En dat station stond in Tilburg. Het was de tijd dat de herdenkingsplaquette “Voor hen die vielen” door een komische speling van het lot onderaan die trap was opgehangen. Ter meerdere eer en glorie van alle reizigers die dagelijks in het gedrang struikelden en van de trap af stuiterden. Maar Tilburg is tot bezinning gekomen en het bordje hangt al jaren op een wat neutralere plek in de hal.

Maar goed, ik was twintig, ik stond op de roltrap en ik zag een portemonnee liggen. Het was een gehavend exemplaar van zwart leer, dat ongetwijfeld uit iemands zak was gevallen. Een beurs, waarnaar op dit moment naarstig werd gezocht door een gedupeerde reiziger. Een ernstige aanval van burgerplichtgevoel overviel mij. Ik raapte de portemonnee op en keek om me heen. Maar ik zag niemand wanhopig zijn zakken aftasten.

De portemonnee bevatte geen geld, maar wel een paar fotootjes en een doorgeknipt treinkaartje. De eigenaar was door het verlies dus niet veel armer geworden, maar die foto’s zouden hem ongetwijfeld dierbaar zijn. Daarom ging ik op zoek naar het bureau Gevonden Voorwerpen, dat zich in het schaftlokaal van de spoorwegpolitie bleek te bevinden.

‘Ja?’ informeerde een agent zonder veel belangstelling.

‘Ik heb een portemonnee gevonden,’ sprak ik ferm.

‘Hm, geef maar hier.’

Omdat ik toch minstens een schouderklopje verwachtte, bleef ik nog even staan.

‘Ja?’ sprak de agent weer, alsof ik de volgende in een lange rij was.

‘Nee, niks,’ antwoordde ik teleurgesteld. ‘Ik heb nog gekeken. Er zit geen geld in, alleen een paar…’ Mijn toelichting werd abrupt onderbroken door het hoongelach van de agent en twee collega’s die ik nog niet had opgemerkt.

‘Geen geld! Ha! Dat zeggen ze nou allemaal!’

Ik slikte. Wilde iets krachtigs zeggen als ‘Nou ja!’, maar kon alleen wat gestotter voortbrengen. En met een rood hoofd (dat voor de heren van de spoorwegpolitie ongetwijfeld mijn schuld onderstreepte) verliet ik het kantoortje.

De dag daarna begonnen mijn schuldige jaren. Waarin ik portemonnees gewoon liet liggen. Bij vandalisme en lichte mishandelingen stoer de andere kant op keek. En een al wat oudere inbreker (pet, zwart maskertje, juten zak) ooit een zetje gaf, omdat hij anders niet over de muur van die villa kon komen.

Maar morgen wordt dat anders. Want vanaf 1 juli neemt de politie geen gevonden voorwerpen meer aan. Dan is het gedaan met het cynisme van onze veldwachters (‘En er zat niemand op die “gevonden” scooter? Ha, dat zeggen ze allemaal!’). Ik kan voortaan met mijn gevonden voorwerpen netjes bij de gemeentebalie terecht.

Al denk ik niet dat ik er nou nog aan begin, aan dat vinden.