Het leven en de werken

jan-dejong.nl

THUIS  |  ESSAYS  |  500 WOORDEN  |  COLUMNS  |  RECENSIES LTM  | JAN DE JONG OP CUBRA.NL  |  FOTO'S 


Mooie Keetje uit Oosterhout,

'Het Noordbrabantsche meisje'

(Hildebrand: Camera Obscura)

afbeelding: Cubra


 

Klappen in de Klappeijstraat  |

17 maart 2012

 

 

Ik ga vanavond maar eens een keertje niet stappen in Oosterhout. Want de Jongens van Herman de Wit zijn op oorlogspad. Ze staan paraat om ons te laten zien wie er nou eigenlijk de baas is op straat. Zij, wed ik.

Vroeger was dat wel anders. Toen was de straat nog van de mensen. Niet dat dat altijd van een leien dakje ging. Ik herinner me nog goed hoe we een kleine vijftig jaar geleden ook de straat hebben moeten veroveren. Want je mocht toen niks, helemaal niks. Een dansje rond een beeldje? Politie te paard! Krenten uitdelen aan voorbijgangers? Rake klappen van het arrestatieteam en twee dagen cel voor grondig lichamelijk politieonderzoek! Nee, de jongeren van 1966 kregen de straat niet cadeau.

Dat ze uiteindelijk toch gewonnen hebben, hebben ze voor een belangrijk deel aan de politie te danken. Dat dan weer wel. Het legitieme geweld van de wetshandhavers was doorgaans zo uitbundig, dat het zelfs beschaafde mensen begon op te vallen. Die stonden dan weer eens handenwrijvend naar een spannende demonstratie te kijken, en voordat ze het wisten hadden ze een paar flinke meppen met de blanke sabel te pakken. Collateral damage, heette dat. Waar gehakt wordt, vallen spaanders. En meer van dat soort dooddoeners.

Maar toen op een gegeven ogenblik zo ongeveer de halve burgerij hardhandig had kennisgemaakt met de lange arm der wet, vond Nederland dat het welletjes geweest was. De veldwachter moest terug op de poef. ‘En nu koest!’

Er braken gouden tijden aan voor Damslapers en parkkampeerders. Voor straatartiesten en levenskunstenaars. Er mocht weer iets in Nederland.

Herman de Wit heeft daar ook wel eens van gehoord. En dat idee van één groot vredelievend, wietrokend en gitaarspelend Oosterhout spreekt hem op een of andere manier ontzettend aan. Maar zoals overal ter wereld, moet ook in Oosterhout de vrede eerst bevochten worden. En waar kun je dat beter doen dan in de Klappeijstraat: klein, compact, overzichtelijk. Daar zijn bovendien altijd wel wat mensen te vinden ‘die het er naar maken’. En nog veel meer die bij staan te kijken. Die eersten zijn voor het gehak, de anderen voor de spaanders.

‘Als wij zeggen dat je weg moet gaan, dan moet je niet blijven staan,’ legt Herman de Wit het nog één keer geduldig uit. Ja, en wij onze kinderen maar opvoeden tot betrokken maar kritische burgers. Altijd eerst ‘waarom?’ vragen. Is achteraf niet zo’n handige tip geweest. Want nou krijgen onze wettige erfgenamen alsnog de klappen die wij in de jaren zestig per ongeluk zijn misgelopen.