Het leven en de werken

jan-dejong.nl

THUIS  |  ESSAYS  |  500 WOORDEN  |  COLUMNS  |  RECENSIES LTM  | JAN DE JONG OP CUBRA.NL  |  FOTO'S 


Mooie Keetje uit Oosterhout,

'Het Noordbrabantsche meisje'

(Hildebrand: Camera Obscura)

afbeelding: Cubra


 

Winterdepressie  |

4 februari 2012

 

 

Je kunt dezer dagen de krant niet opslaan of de kou grijpt je vanaf iedere pagina bij de keel. Het weerbericht voorspelt dagen van min tien, de sportpagina’s verordonneren elfstedenpret, in Waspik ‘nevelen’ ze een spekgladde ijsbaan bij elkaar. En Drimmelen bezuinigt op zandbakken. Kan het kouder?

Ja, dat kan. In januari 1976 diende ik de Koningin der Nederlanden (dat was toen die malle Juliana nog) als dienstplichtig soldaat der laagste klasse. En ik deed dat in die nogal frisse maand in een tentje op de hei bij Havelte. Het vroor daar achttien graden. Nou ben ik over het algemeen niet zo goed tegen ontberingen bestand en van die dagen op de hei staat mij nu – 36 jaar later – nog één ding uiterst scherp op het netvlies. Niks groots hoor. Er werden destijds jongens afgevoerd met zwartbevroren tenen. Stoere kerels wier tranen als ijspegels aan hun gezicht bleven hangen. Allemaal erg dramatisch. Maar ik heb die deprimerende feiten al lang weggestopt op een plekje waar zelfs de handigste psychiater ze niet terug kan vinden. Nee, mijn allervreselijkste herinnering is kleiner. Veel kleiner.

Op een avond reed, na het invallen van het duister, de keukenwagen (in de onbegrijpelijke dieventaal der artillerie ‘cadi’ geheten) ons kampementje binnen. Er was veel te dunne soep, er waren tot moes gekookte groenten en er was een stukje doodgemarteld vlees. Allemaal even lauw. Maar omdat wijzelf tot op het bot verkleumd waren, léék het in ieder geval nog best warm. En daarna kregen wij dampend hete pap. Voor dat nagerecht dienden wij ons wederom in een lange rij op te stellen. Blikken bak in de aanslag, zodat de kok daar achteloos een flinke schep pap in kon deponeren. Daarna moest je met dat walmende blik naar je tentje, alwaar de lekkernij opgepeuzeld kon worden. Mijn tent bevond zich op krap drie minuten lopen van de cadi. Maar toen ik mijn lepel in de zoetigheid wilde steken, kon dat al niet meer. Het spul was bevroren. En hoewel ik de hele week alle ellende manmoedig had doorstaan, plengde ik op dat moment bittere tranen van zelfmedelijden. Om een bordje pap!

Het is een kleine herinnering die in mijn hoofd is uitgegroeid tot een metafoor voor alle kommer en kwel die de winter voor ons in petto heeft. Bijvoorbeeld als ik lees over ijsbanen in Oosterhout en Geertruidenberg. In Lage Zwaluwe en in Gilze. In Terheijden en in Dorst. ‘IJspret’? Da’s een woord met ingebouwde tegenstelling, zoiets als ‘mooi Rijen’ of ‘station Oosterhout’. Brr!

Nee, voorlopig gaat bij ons thuis de verwarming een paar streepjes omhoog. En wacht ik rustig de zomer af, wanneer het weer tijd is voor ‘zandpret’: samen met mijn kleindochter naar de zandbak hier in de buurt. Toch jammer dat dat straks in Drimmelen niet meer kan.