Het leven en de werken

jan-dejong.nl

THUIS  |  ESSAYS  |  500 WOORDEN  |  COLUMNS  |  RECENSIES LTM  | JAN DE JONG OP CUBRA.NL  |  FOTO'S 


Mooie Keetje uit Oosterhout,

'Het Noordbrabantsche meisje'

(Hildebrand: Camera Obscura)

afbeelding: Cubra


 

Keere weerom, reuze, reuze  |

3 september 2011

 

Lezen juffrouwen op de basisschool nog voor uit Pinkeltje? Ik vrees het ergste, want een kabouter zonder mobiele telefoon, daar snapt de modale groep-drieër natuurlijk helemaal niks van. ‘Maar hoe kan hij dan met zijn kaboutervriendjes afspreken, juf?’ En het ergste is nog dat die juf (21, net van de pabo) het ook niet weet. Geen flauw idee hoe een leven zonder i-Phone eruit ziet.

Ikzelf ben wel met Pinkeltje opgegroeid – een mensenleven geleden, ik geef het toe. En niet alleen met Pinkeltje. Ook Wolkenwietje, Puk en Muk, Okkie en Paulus de Boskabouter speelden een grote rol in mijn jonge leven. Ik smulde niet alleen van hun verhalen, nee, ik verzon er zelfs nog een hoop spannends bij. Ik geloof niet dat er boeken bestaan waar Paulus en al die andere onderdeurtjes tegelijk in voorkomen, maar in mijn hoofd bestonden ze. Samen met mij beleefden ze grootse avonturen. Samen met mij, ja. Niet dat ik onder een schrijnend tekort aan vriendjes gebukt ging, wij woonden in een kinderrijke buurt, maar soms heeft een mens gewoon behoefte aan wat minder conventioneel gezelschap. Kabouters.

Zoals Sjors zijn Rebellenclub had, zo had ik mijn Kabouterclub. Wij waren, schat ik, al gauw met een mannetje of tien, twaalf. En ik kan u verzekeren dat wij het maatschappelijk onrecht met verve bestreden. Zulk onrecht bestond bijvoorbeeld uit de juffrouw op school. Die het eens waagde om mij wegens een onbenulligheid tot de orde te roepen. Meteen nam ik wraak: in mijn onoverwinnelijke dromen werd de juf door een legertje doortastende kabouters gekneveld en naar onbestemde oorden afgevoerd. De klas applaudisseerde geroerd.

Met andere sprookjesfiguren had ik dat niet zo, al kon een enkele meisjes(‘juffrouwen’)verslindende wolf mijn waardering nog wel wegdragen. Maar heksen, feeën en tovenaars, nee, daar had ik niets mee.

En al helemaal niet met reuzen. Dat waren me een onbehouwen, onbetrouwbare sujetten op olifantformaat! Die waren me bot en ongemanierd! Denk alleen al aan dat kindervretende exemplaar van Klein Duimpje. Je reinste terrorist, toch?

Toen ik later de GVR leerde kennen, werd het er niet beter op. Niet alleen bevatte zijn naam twee enorme taalfouten (Grote Reus is een pleonasme en Vriendelijke Reus een contradictie), maar ook verder klopte er helemaal niets van. Door de andere reuzen werd hij dan ook als een soort misbaksel beschouwd, een meervoudig gehandicapte. En juist zo eentje zou dan goedaardig zijn? Het een zoveelste bewijs van de onbetrouwbaarheid van de hele soort.

En nu lees ik dat mijn Kabouterdorpje bij monde van opperkabouter Huub Quirijnen actie voert om zich een heuse reus aan te schaffen. Een reus in Gilze! Ik vrees met grote vreze. Niet alleen voor de toekomst van het dorp, maar ook voor het welbevinden van alle bewonertjes. Ikzelf heb alvast politiek asiel aangevraagd. In Plopsaland.