Het leven en de werken

jan-dejong.nl

THUIS  |  ESSAYS  |  500 WOORDEN  |  COLUMNS  |  RECENSIES LTM  | JAN DE JONG OP CUBRA.NL  |  FOTO'S 


Mooie Keetje uit Oosterhout,

'Het Noordbrabantsche meisje'

(Hildebrand: Camera Obscura)

afbeelding: Cubra


 

Het jaar van de vrijwilligers  |

20 augustus 2011

 

2011 is het Jaar van de Vrijwilligers. Of beter: het Europees jaar van het Vrijwilligerswerk. Dat klinkt ineens een stuk officiëler, al heb ik eerlijk gezegd geen flauw idee wat een ‘Europees jaar’ precies is. Duurt dat nou langer of korter dan een Amerikaans jaar? Ik weet het niet, al hoop ik voor de hongerenden in Somalië en Kenia dat Afrikaanse jaren weer niet al te lang duren.

Maar goed, vrijwilligers dus. Die worden dit jaar eens extra lekker in het zonnetje gezet. Ook bij ons. Op de webzijde van de gemeente Gilze-Rijen verschijnt om de haverklap een fotootje van mensen die goed doen: maaltijden rondbrengen, de wereldwinkel runnen, de natuur van een wisse dood redden, dat soort dingen. En allemaal voor niks, noppes, nada. Goed dat er vrijwilligers zijn.

Ik kom daarop, omdat afgelopen maandag de oorlog afgelopen was. De oorlog? Was het oorlog dan? Nee, maar op 15 augustus herdenken sommige mensen de capitulatie van Japan in 1945. Want onze 5-meiviering getuigt in de eerste plaats toch wel van een erg beperkt historisch besef. Niet alleen denderde de Tweede Wereldoorlog aan de andere kant van de aardkloot nog vrolijk een paar maanden door, maar ook waren vele tienduizenden Nederlanders nog krijgsgevangen of zaten anderszins in Japanse interneringskampen. En pas op 15 augustus was de ellende voor hen afgelopen, net als de oorlog zelf.

Voor de Nederlandse oud-krijgsgevangenen begon er toen een nieuwe strijd: die om erkenning. Want terwijl overal om hen heen Engelsen, Amerikanen en Australiërs naar huis terugkeerden, gehuldigd, gedecoreerd en gefêteerd werden en hun achterstallige soldij overgemaakt kregen, was daar in Nederland geen sprake van. De militairen van het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger (KNIL) waren drieënhalf jaar niet in dienst geweest en kregen dus geen cent. Goed, ze hadden onder de meest erbarmelijke omstandigheden in de mijnen en aan de Burma-spoorlijn moeten werken, ze hadden goede vrienden naast zich dood zien neervallen van honger, ziekte, uitputting en mishandeling, maar daar kon Nederland natuurlijk niks aan doen.

Illustratief is het voorval dat twee jonge officieren meemaakten toen ze, net terug uit het kamp, meteen aan het werk werden gezet. Het KNIL moest weer paraat zijn, nietwaar. Toen ze vroegen of ze misschien eerst een paar dagen vakantie konden krijgen om wat persoonlijke zaken te regelen, kwam het verontwaardigde antwoord: ‘Vakantie? Maar je hebt net drieënhalf jaar vakantie gehad!’ Waarmee het leed in de dwangarbeiderskampen in de jungle van Siam (nu Thailand) werd afgedaan als een soort vrijwilligerswerk.

Misschien is het daarom geen gek idee om in het Jaar van de Vrijwilligers én in de week van de Bevrijding daar nog eens één keer bij stil te staan. Al is het maar met een fotootje op internet – of een stukje in de krant.