Het leven en de werken

jan-dejong.nl

THUIS  |  ESSAYS  |  500 WOORDEN  |  COLUMNS  |  RECENSIES LTM  | JAN DE JONG OP CUBRA.NL  |  FOTO'S 

 

 


500 woorden |

 

Van oude mensen de dingen die voorbijgaan (Louis Couperus)

 

— Chtt!

— Er is niemand…

— Ik weet het. Wij kunnen rustig praten…

— Ja, er is niemand…

— Dacht je dan dat er… iemand?

— Nee, nu niet maar soms…

— Soms?

— Soms denk ik dat hij

— Chtt!

— Er is niemand… maar soms denk ik dat er iemand…

Hij

— Ja hij

— En dan ben je bang?

— Dan ben ik bang, ja.

— Waarom?

— Om dat hij weet…

— Je denkt dat hij weet? Maar Ottilie, hoe zou hij weten dat…

— Chtt!

Hij is er niet.

— Ik weet het. Maar soms denk ik dat hij er is. Ik wéét dat hij er soms is…

— Maar hij is er niet.

— Nee, hij is er niet…

— En zelfs als hij er was, dan kon hij onmogelijk weten…

— Chtt! Hij weet…

— En zelfs áls hij weet…

Hij weet. Geloof me.

— Ik geloof je, Ottilie. Maar zelfs áls hij weet…

Hij weet.

— Maar zelfs dan is hij al lang vergeten, dat…

— Chtt!

— …vergeten, dat hij weet.

— Waarom zou hij vergeten?

— Omdat het lánge, lánge jaren geleden is.

— Zestig jaren, ik weet het.

— Zestig lánge jaren, waarin hij vergeten is…

— Nee, hij weet…

— Misschien is hij vergeten dat hij weet. Na zestig jaren.

— Zestig lánge jaren.

— Lánge jaren, ja. We worden oud, Ottilie.

— We zíjn oud, Takma. Het is onze straf zo oud te zijn.

— Nee, wie zou ons straffen? Hij? Ons straffen voor…

— Chtt!

Hij is er niet.

— Nee, hij is er niet. Maar soms… soms hóor ik hem…

— Je hóort hem? Maar je zíet hem niet?

Hij is stil en verroert zich niet…

— Maar toch… je hóort hem

— Ik hóor hem, als hij er is…

— En als hij er niet is…?

— Ook dan. Ook als hij er niet is…

— Maar hoe zou hij… ik bedoel, als hij er niet is?

— Dan kijkt hij, Takma. Hij kijkt van over mijn schouder. Ik voel zijn adem. Ik…

— Het is de tocht, Ottilie. Hoe zou hij

— Omdat hij weet. Hij weet van Dercksz, hij

— Chtt! Zwijg Ottilie! Hoe zou hij

Hij heeft gezien. Hij weet. Hij… Al zestig jaren.

— Lánge, lánge jaren. Maar wat geeft het dat hij gezien heeft? Zo velen hebben gezien.

— O? Maar wie dan?

— Harold heeft gezien. Ma Boeten heeft gezien. Zij weten, Ottilie, zij weten allemaal.

— En Roelofsz weet…

— Ja, Roelofsz weet, maar die zou nooit hem

— Nee, nooit…

— Alleen Lot en Elly, zij weten niet…

— Chtt! Spreek niet van Lot en Elly.

— Maar waarom zouden wij niet van de kinderen spreken?

— Om hem. zolang hij niet weet…

— Maar hij weet, Ottilie. Hij weet.

— Natuurlijk. Hij weet van Dercksz. Maar weet hij van de kinderen?

— Van Lot en Elly?

— Van Lot en Elly. Denk je dat hij weet?

— Hoe zou hij niet weten…?

— Dus je denkt dat hij weet…?

— Ja, Ottilie, ik denk dat hij weet…

— Maar als hij weet, waarom…

— …?

— …waarom heeft hij dan zestig jaren…

— Lánge, lánge jaren.

— …zestig lánge jaren gezwegen?

— Maar waarom zou hij spreken, als hij wist…

— Maar ik wist niet dat hij

— …als hij wist, dat jij niet wist, dat hij…?

— O, Takma, maar als hij zestig jaren wist…

— Lánge, lánge jaren.

— …als hij zestig lánge jaren wist, dan…

— Wat dan, Ottilie?

— Je begrijpt niet? Je ziet niet?

— Nee, ik begrijp je niet, Ottilie.

— Maar als hij wist, dan zijn zestig…

— Lánge, lánge.

— …jaren voor niets geweest. Als hij wist, wist iederéen! Dan hadden wij

— Wij samen, Ottilie…

— …wij samen. Maar wat kunnen wij nu nog dan doodgaan?

— Toch niet om hem? Wat is hij meer dan een schrijver, een fantast, een dandy. Die Coupe…

— Chtt! Waarom hem roepen als wij samen…

— Spot niet met het leven, Ottilie. Niet met de dood…

— Nee, Takma. Wij kunnen nog slechts doodgaan. En weten dat het alles voor niets is geweest. Laat ons voor het eerst iets voor ons zelf besluiten…

(Zij sterft.)

— O, Ottilie. O, mijn lieve Ottilie. Na zestig lánge, lánge jaren. Eindelijk samen. O, ik…

(Hij sterft.)