Het leven en de werken

jan-dejong.nl

THUIS  |  ESSAYS  |  500 WOORDEN  |  COLUMNS  |  RECENSIES LTM  | JAN DE JONG OP CUBRA.NL  |  FOTO'S 

 

 


500 woorden |

 

Nooit meer slapen - Willem Frederik Hermans

 

De portier is een invalide – en hij is de enige niet. Mijn reis naar Noorwegen zit er vol mee. Het begint al met die halfblinde professor Nummedal bij wie ik de luchtfoto’s kan ophalen, zo is mij verzekerd. Laat ik niet te veel woorden vuil maken aan mijn ontmoeting met deze kwaadaardige Noorse trol en mij beperken tot het resultaat ervan: geen luchtfoto’s. Ik zal in het noordelijkste puntje van Noorwegen voor mijn onderzoek op zoek moeten naar meteorietinslagen zonder de hulp van het beloofde fotomateriaal.

En daarom zwerf ik nu door het onherbergzame Finnmark, waar de kou, de nooit ondergaande zon en de muggen mij het slapen onmogelijk maken. Mijn metgezellen Arne Jordal, Qvigstad en Mikkelsen kennen het terrein als hun broekzak, maar omdat ik door de bekende Groningse fysisch-geograaf en Finnmarkkenner dr. W.F. Hermans ben uitgerust met een tamelijk onhebbelijk karakter, zijn ook zij intussen huns weegs gegaan. Gelijk hebben ze. Ik ben nu alleen. Om mij heen zijn mist en stenen, wat alles maar niet veel is. En, ik geef het met tegenzin toe, ik ben verdwaald. Daarom beklim ik de enige berg die er is, in de vage hoop ergens in de verte mijn verloren gezelschap nog te zien. En ook om op de rotsige helling het versleten Bergrede-motief weer eens van stal te kunnen halen.

Helaas. De top van de berg is in mist gehuld. Mijn knie doet pijn en ik overdenk het einde der tijden. Ik spreek: wat als een stofwolk of een dichte zwerm meteorieten mij hier afsnijdt van de wereld? Hoe zal het mij vergaan? En hoe zal het de anderen vergaan? Komen zij ooit tot het inzicht dat ik, verlichte existentialistische geest, van nature bezit? Of blijven ze maar tobben in hun landjes met hun kerkjes en hun godjes? Ik vermoed dat laatste. Want tenslotte ben ik het, en ik alleen, die uitverkoren is om de diepzinnige visie op mens en wereld van de geleerde geograaf uit Groningen uit te dragen. Niemand begrijpt mijn grootheid. Niemand ziet mijn licht.

Maar intussen verrek ik van de pijn in mijn knie en zuigen de muggen de laatste aardse gedachten uit mijn bloed. Ik moet verder. Want wat is de zin van een voortmodderende wereld zonder mij? Ik moet terug naar de mensen opdat zij tenminste zouden kunnen horen wat zij zelf niet kunnen bedenken.

Omdat ik niet uitsluitend geest ben, maar vooral toch ook een lichaam, bak ik eerst nog even een paar forellen en zet een kannetje koffie en aldus aangesterkt begin ik te lopen. Onderweg vind ik het lichaam van Arne Jordal. Zo dood als ik had moeten zijn. ‘Die zal nooit meer slapen,’ help ik de wereldberoemde Groningse lector aan een mooie titel voor zijn roman.

Pas later, eenmaal thuis, vraag ik mij af hoe het met Qvigstad en Mikkelsen is. Was ik in Finnmark even vergeten. Lopen zij daar nog steeds rond, op zoek naar Arne en, wie weet, naar mij?

Thuis word ik naar behoren verzorgd door hen die menen dat ze mij dierbaar zijn, Eva en mijn moeder. Maar hoe kan ik van hen houden met hun treurig kleine hersentjes? Over invaliden gesproken! Alleen dat cadeautje al. Twee manchetknopen, gemaakt van een bijzonder fraaie meteoriet. Doorgezaagd. Onherstelbaar gepolijst. In goud gevat. Plat en zinloos als het leven. Wat een aardige metafoor is voor wat ik meer dan 260 bladzijden lang heb willen zeggen.