Het leven en de werken

jan-dejong.nl

THUIS  |  ESSAYS  |  500 WOORDEN  |  COLUMNS  |  RECENSIES LTM  | JAN DE JONG OP CUBRA.NL  |  FOTO'S 

 

 


500 woorden |

 

De avonden - Simon/G.K./Gerard (Kornelis, Markies van het) Reve

 

Het was nog donker, toen in de vroege morgen van de tweeëntwintigste december 1946 in onze stad, op de eerste verdieping van het huis Schilderskade 66, de echte held van deze geschiedenis, Simon van het Reve, na een veel te lange openingszin eindelijk het woord gaf aan zijn alter ego, Frits van Egters, die daar niet veel meer mee wist te doen dan negen avonden lang de lezer doorzagen over dromen, kaalheid, kanker, verbrande huissleutels, de radio en onsmakelijke tafelmanieren. Alleen niet over de oorlog, wat een mens toch zou verwachten.

Negen dagen, waarin hij slechts kwam tot enig teleurstellend vriendenbezoek, wat duistere dialogen met een speelgoedkonijn en een paar gezochte confrontaties met zijn vader, die het ook allemaal niet kon helpen. Frits zuchtte. ‘Het valt nog niet mee om de lezers een beetje bij de les te houden,’ dacht hij. ‘Was het maar vast oudjaar, dan valt er immers altijd wel wat te beleven.’

En daarom werd het oudjaar. Hoe graag had hij die avond niet met vrienden doorgebracht, maar zijn moeder wilde natuurlijk dat hij de komst van het nieuwe jaar gezellig thuis afwachtte. In zijn nieuwe slipover! Ze had dan ook erg haar best gedaan, om de avond tot een succes te maken, compleet met verkeerde oliebollen en wijn die geen wijn was maar bessen-appelsap. Triester en leger kon een aards bestaan niet zijn.

En toen Frits dan na middernacht eindelijk de deur van het ouderlijk huis achter zich dichttrok om zich bij zijn vrienden te voegen, trof hij niemand thuis. Dat leek hem het uitgelezen moment om zich tot de heer zijn schepper te wenden, terwijl hij doelloos als het leven zelf langs de gracht zwierf op weg naar… ach ja, op weg naar huis dan toch maar weer.

‘Eeuwige, enige, almachtige, onze God,’ bad hij met uitbundige voorliefde voor adjectieven. ‘Zie mijn ouders.’ En hij begon de almachtige en alwetende uit te leggen hoe het met die foute oliebollen zat en met dat bessen-appelsap. Hij bracht de treurige wanhoop van zijn moeder en de minzame gekte van zijn vader onder zijns heren aandacht. Hij pinkte een traan weg en een kerktoren gaf één slag, wat een tamelijk banaal effect sorteerde.

En toen hij thuis kwam ging hij ook nog eens, samen met de goede God, naar de buik van zijn vader staan kijken. Alsof God niet al genoeg omhanden had. Zijn vader leek wel een zwangere huisknecht, daarover waren God en hij het snel eens. Maar of hij daar iets mee opschoot? ‘Zie deze man,’ probeerde Frits daarom nog maar eens. ‘Het is mijn vader. Behoed hem. Bescherm hem. Leid hem in vrede. Hij is uw kind.’ Doch van God werd vanaf dat moment in het boek niets meer vernomen.

Frits besloot zich dan maar te rusten te begeven. Zoals het een gezonde Hollandse jongen betaamt, poetste hij eerst nog keurig zijn tanden en betastte langdurig zijn lichaam. Maar daarna kon hij het jaar dan toch afsluiten met de woorden die Simon van het Reve, zijn schepper, zelf hem gegeven had: ‘Het is gezien, het is niet onopgemerkt gebleven.’ En hoewel alleen het konijn het hoorde, zeurden die woorden nog lang na in de Nederlandse letteren. Tot bij de dood van de schrijver aan toe.